VU hoogleraar Diversiteit en Integratie Halleh Ghorashi (1962) kwam als politiek vluchteling uit Iran naar Nederland. Zij verzet zich tegen hardnekkige beelden over vluchtelingen en migranten en komt op voor diversiteit en inclusie, in de samenleving en in het bedrijfsleven. Haar eigen verhaal speelt een grote rol in het onderzoek dat ze is gaan doen. 

“Laten wij – beleidsmakers, burgerinitiatieven, ngo’s, wetenschappers – óns werk beter doen.”

Ghorashi: „Toen ik eind jaren 80 in Nederland aankwam, verbaasde het me hoe er over vluchtelingen en migranten werd gesproken. Er werd vooral met behulp van cijfers en percentages in kaart gebracht hoezeer zij achterlopen ten opzichte van autochtone of andere groepen: meer werkloosheid, minder taalbeheersing, gebrek aan werkervaring, niet de juiste opleiding, et cetera.”

„Door die eenzijdige benadering vroeg ik me af: waar blijft de andere kant van het verhaal? Hoe zit het met de (veer-)kracht, het doorzettingsvermogen, de ambities en talenten van vluchtelingen? Daar liep ik ook tegenaan bij de ongetwijfeld goedbedoelde hulp tijdens mijn eerste jaar in Nederland. Men wist al bij voorbaat wat ik nodig had en deed geen enkele moeite zich te verdiepen in mijn achtergrond. Ik had een geschiedenis, ik wist wat mijn problemen waren, ik kon meedenken over mogelijke oplossingen.”

„Als asielzoeker, maar ook later als hoogleraar toen ik door minister Ter Horst benoemd was als lid van de begeleidingscommissie Politietop Divers, kwam ik bij de politie om aangifte te doen, respectievelijk van diefstal en bedreiging. In beide gevallen vroegen de agenten achter de balie ‘Huiselijk geweld?’ nog voor ik mijn mond kon opendoen. Ik werd gereduceerd tot de zielige, hulpbehoevende vluchteling of de onderdrukte, Iraanse vrouw. Zelfs als adviseur van de politie op het hoogste niveau kreeg ik nog met hetzelfde vooroordeel te maken. Ik besefte hoe weinig het uitmaakt wat je persoonlijk bereikt als het systeem zelf niet verandert.”

„Dat is wat ik het ‘achterstandsdenken’ noem. Het dominante denken is dat vluchtelingen en migranten een achterstand hebben. Dat idee wordt steeds opnieuw gereproduceerd, doorgaans met de beste bedoelingen, door mensen die zelf geen vluchtelingenachtergrond hebben of niet in de nabijheid van vluchtelingen verkeren. We zijn, als verzorgingsstaat, gericht op verzorgen. Wij willen helpen. Zij moeten geholpen worden. En als het dan fout gaat, is het vooral hun probleem. Wij hebben immers ons best gedaan.”

„Die bril is historisch gevormd en kunnen we niet zo makkelijk afzetten. Het zelfbeeld is dat we goed bezig zijn. Maar kijk naar het beleid van de afgelopen jaren. Zoals de intentie om inburgering te versnellen. Ik kan me gewoonweg niet voorstellen dat alle mensen die hierbij betrokken waren slechte bedoelingen hadden. Maar eerlijk is eerlijk, dat beleid heeft een puinhoop veroorzaakt.”

„Als je geen vragen stelt en niet luistert, verzin je dingen die niet aanslaan. De problematiek is er ook wel degelijk. Ten tijde van Corona lopen kinderen in kwetsbare wijken meer achterstand op. Crises maken ongelijkheden zichtbaar die we eerder wellicht niet wilden opmerken. Dat helpt ons ook om niet meer te zeggen dat het allemaal wel meevalt. Nee, het valt niet mee.”

„Maar: door de focus alleen daarop te leggen, worden vluchtelingen en migranten gevangen in een ‘net van achterstand’. Zo komen zij nooit verder. Er wordt niets gedaan met hoe wij als samenleving naar vluchtelingen kijken en wat voor maatschappelijke structuren hun integratie in de weg staan.”

„Juist deze tijd zou ons bewuster moeten maken van deze structurele bronnen van ongelijkheid en uitsluiting in plaats van blaming the victim. BLM heeft een zeker bewustzijn hierover teweeggebracht: maak vluchtelingen en migranten niet tot categorieën van achterstand, maar begin met beter te luisteren en te kijken naar wat zij meemaken, hoe zij de integratie in de Nederlandse samenleving ervaren, hoe zij hun leven vormgeven. Deze verhalen zijn belangrijk om te kunnen reflecteren op subtiele en onzichtbare beelden, processen en structuren van uitsluiting, ze ter discussie te stellen en vooruitgang te boeken.”

 

GEËNGAGEERDE WETENSCHAP

„Daarom kies ik in mijn onderzoek voor aandacht voor de verhalen en beleving van vluchtelingen en migranten. Daarin heb ik een ontwikkeling doorgemaakt. Ik ben begonnen met het verzamelen van biografische verhalen om de levens van migranten en vluchtelingen te begrijpen. Ook mijn eigen verhaal heb ik steeds geanalyseerd.”

„Individuele verhalen, tekortkomingen, mislukkingen, problemen staan nooit op zichzelf. Er zijn altijd contextuele elementen. Er is sprake van structurele bronnen van ongelijkheid. We hebben niet allemaal dezelfde privileges en resources. Gaandeweg vroeg ik me af hoe we richting verandering kunnen werken. Hoe kunnen we structuren in de samenleving ontregelen die uitsluiting in stand houden, zelfs als dat gebeurt met goede bedoelingen?”

„Ik kwam tot het besef dat we die verhalen kunnen inzetten. Wanneer we de verhalen van maatschappelijke actoren – beleidsmakers, burgerinitiatieven, ngo’s –, wetenschappers en vluchtelingen bij elkaar brengen, maken we een vergaarbak van verschillende soorten kennis. Door dialoog tussen deze verhalen brengen we de verschillende werelden samen en de verschillende perspectieven dichter bij elkaar. Zo kunnen oplossingen vanuit verbinding van meervoudige perspectieven tot stand komen en worden nieuwe vormen van kennis gegenereerd. Die co-creatie van professionele, academische en ervaringskennis, dat is voor mij geëngageerde wetenschap.”

„Alle mensen die vanuit verschillende perspectieven over hetzelfde vraagstuk denken en doen in de samenleving worden dan bewuster van hun eigen blinde vlekken. Dat meervoudige perspectief verruimt ons blikveld. We dwingen onszelf onze eigen beelden ter discussie te stellen en elkaar om de perspectiefwisseling aan te gaan. ‘Geforceerde reflexiviteit’ noem ik dat. Als we namelijk teveel vanuit ons eigen gelijk te werk gaan, vallen we steeds opnieuw in de valkuil van het achterstandsdenken.”

„We moeten extra competenties zien te ontwikkelen. Niet zozeer bij vluchtelingen en migranten, maar vooral bij onszelf, bij alle mensen die met vluchtelingen en migranten werken. Om meer te zien en beter te horen, zodat we verborgen talenten zien in plaats van alleen de zichtbare achterstanden. Want het gaat ons allen aan. Onze problemen zijn gemeenschappelijke problemen. Onze beelden zijn gemeenschappelijke beelden. We moeten allemaal een rol spelen in het vinden van oplossingen.”

 

VERBINDING BEGINT BIJ ONSZELF

„Het begint dus bij mensen die iets positiefs willen bewerkstelligen op lokaal en nationaal niveau. Als wij verbinding tot stand weten te brengen en inclusieve ruimtes weten te creëren, dan is dat wellicht ook aantrekkelijk voor anderen die zich negatief uiten over vluchtelingen en migranten. Ooit dacht ik dat polarisatie zou verminderen als ik het andere kamp voor me zou kunnen winnen. Maar verbinding begint bij onszelf. Laten wij óns werk beter doen. Dan zijn we overtuigender en beginnen anderen mogelijk ook te luisteren. Want met lege verhalen zonder substantie over diversiteit en inclusie kunnen we geen waardevol alternatief bieden voor negatieve geluiden.”

„Als socioloog en antropoloog houd ik me bezig met machtsverhoudingen. In democratische samenlevingen zie je dat macht niet langer de macht van de dictatuur is maar de macht van de normalisering. Wat Foucault ‘discours’ noemt. Er zijn normaliserende krachten die de beelden over jezelf en anderen steeds opnieuw bevestigen en reproduceren in je denken en doen. De media en digitale wereld voeden en versterken die beelden.”

„De angst en het ongenoegen in de samenleving zijn groot. Als je angstig bent voor anderen. Als je gelooft dat vluchtelingen hierheen komen om te profiteren van sociale uitkeringen. Als je denkt dat anderen hun best niet doen. Als je meent dat vluchtelingen jouw kansen afpakken. Als je zelf niet in de nabijheid van vluchtelingen verkeert, geen weet hebt van hun leven en de uitdagingen waarvoor zij staan, er geen verbinding is, worden die negatieve beelden constant gevoed. Dat wordt de waarheid. Onze wereld en ons beeld van de anderen worden steeds kleiner. Dat noem ik de ‘mal van normalisering’.”

„Soms komt alle negativiteit over vluchtelingen en migranten persoonlijk aan, maar niet overwegend. Omdat ik als wetenschapper een analyse maak van maatschappelijke vraagstukken kan ik ook mijn eigen positie en problemen relativeren en in bredere context bezien.”

„Door mijn proefschrift heb ik geleerd dat je je niet óveral thuis hoeft te voelen. Uit mijn onderzoek kwam naar voren dat veel Iraanse vrouwen zich in Nederland ontworteld voelden. Ze werden constant als de ander gezien en niet als echte Nederlander geaccepteerd. Ook werd het thuisgevoel vaak gekoppeld aan identiteit – het Nederlander of Iraniër zijn – en het hele land – Nederland of Iran. Het was aanleiding om verder te reflecteren op het begrip ‘thuisgevoel’. Het werd me duidelijk dat dat ook in kleinere ruimtes plaats kan vinden, in de stad, in de buurt of als je je omgeeft door goed gezelschap.”

„Wat mezelf betreft gold dat zeker: hoe slecht ik me soms ook op mijn plek voelde in de samenleving, aan de universiteit was dat anders. Ik voelde er me thuis, eerst als student en later als collega. Ik werd er gezien, gehoord en serieus genomen. Ik kon er me ontwikkelen. En nu, aan de top van mijn wetenschappelijke carrière, word ik in mijn onderzoeksgroepen omgeven door jonge onderzoekers die me inspireren.”

„Natuurlijk heb ik ook in mijn werk meegemaakt wat het betekent om niet gezien te worden. Maar ik gaf niet op. Door alle ellende in mijn kindertijd en tijdens de Iraanse Revolutie – in Trouw heb ik daarover veel verteld – heb ik geleerd in een structuur van onmogelijkheid mogelijkheden te zien, in het donker naar het licht te kijken.”

„Zo was er voor mijn kwalitatieve methode van onderzoek in de jaren 90 nauwelijks waardering in zowel wetenschap als beleid omtrent migratie. Dat werd gedomineerd door kwantitatieve wetenschappers. Ik realiseerde me dat ik als onderzoeker in een marginale positie terechtkwam, maar ik hield vast aan mijn narratieve benadering.”

„En bijvoorbeeld ook toen ik vier jaar na mijn promotie al bijzonder hoogleraar werd. Dat was een buitengewone erkenning. Maar niet iedereen was verheugd. Velen beschouwden het als een ‘tokenpositie’ die snel weer voorbij zou gaan. Sommigen deelden zelfs openlijk hun verbazing over mijn succes met mij. Ik moest me maar zien te bewijzen. Ik realiseerde me dat je niet de gehele mensheid nodig hebt, maar slechts een aantal mensen dat in jou gelooft. Leidinggevenden die je talent zien en je willen helpen je verder te ontwikkelen. Collega’s die je als een waardevolle collega beschouwen. En jong talent dat jou als inspiratiebron ziet.”

 

DANS VAN PERSPECTIEVEN

„Ik heb steeds meer gesprekken met bedrijven. Hoe hoger in organisaties je komt, hoe witter en mannelijker het wordt. Ik vraag CEO’s altijd wat er met hen gebeurd zou zijn als zij in hun carrière alleen mensen tegengekomen waren die hun zwakheden zagen en niet hun talenten. Diversiteit is lang vrijblijvend geweest. Wel met de beste bedoelingen weer: we geven ze kansen, we gaan ze helpen. Maar opnieuw vanuit het achterstandsdenken.”

„Als kroonlid van de SER heb ik meegewerkt aan het advies Diversiteit aan de top, tijd voor versnelling. Ik ben echt blij dat dat rapport zich onderscheidt van alle andere rapporten over diversiteit en migratie omdat het achterstandsperspectief losgelaten is en er een gelaagder verhaal over bronnen van uitsluiting en kansen voor inclusie rondom diversiteit verteld wordt. Vanuit de SER heeft dat impact. Het is een extra duwtje voor de (semi-)publieke sector en het bedrijfsleven om niet op te geven en het vraagstuk structureel vorm te geven.”

„Wanneer iemand ver van ons af staat, laten we dan proberen hem of haar niet meteen in een categorie te plaatsen en te reduceren tot een beeld maar ons een voorstelling te maken van zijn of haar leven. We hebben de neiging om eerst en vooral het anderszijn van iemand te zien: hij of zij praat anders, heeft een andere lichaamstaal, stelt andere vragen, ziet er anders uit, heeft een accent. Voor verbinding is het belangrijk om ons oordeel over de ander tijdelijk op te schorten om de veelzijdigheid van iemand te kunnen zien. Om onszelf te dwingen om andere vragen te stellen en het verhaal achter iemands voorkomen de ruimte te geven. Om uit te schakelen wat we op het eerste gezicht zien om méér te zien.”

„Dan kijk je anders naar een cv. Je bent niet gefixeerd op de gaten maar maakt je een voorstelling van het verhaal daarachter. Dan kan het zijn dat je kracht ziet in plaats van achterstand. Om een voorbeeld te geven: ik heb tussen mijn middelbare school in Iran en mijn doctoraal in Nederland een gat van meer dan tien jaar. Dat komt omdat ik in Iran politiek actief was, daardoor onder moest duiken en vluchten, en toen in Nederland opnieuw moest beginnen.”

„Ik hoorde een lezing van een CEO over een traineeship dat ze opgezet hadden. Prachtige jonge mensen allemaal, vertelde hij. Zo divers, in termen van huidskleur, haarstijlen, kleding, uiterlijk. Na een jaar ontmoette hij ze opnieuw. Iedereen was hetzelfde geworden. Uniform, haarstijl… ze praatten zelfs hetzelfde. Dat kan niet de bedoeling zijn van het binnenhalen van diversiteit: allemaal door een koker om hetzelfde te worden. Dat is gedoemd te mislukken. Mensen verloochenen hun achtergrond om gezien en gewaardeerd te worden. Maar hun anderszijn blijft altijd een punt. Altijd. Je wordt altijd gezien als de ander.”

„Diversiteit móet daarom gekoppeld worden aan inclusie. Dat betekent niet alleen mensen toelaten in je organisatie, maar ook hun perspectieven meenemen in het organisatieproces. Hen mee laten doen en hen waarderen om wat zij meebrengen vanuit hun achtergrond.”

„Het betekent dat je ontregeling toelaat. Dat je de routinematigheid, de status quo, de vastgeroeste patronen, de normaliserende praktijken van tijd tot tijd ter discussie durft te stellen. Dat je de ander de ander laat zijn én hun anderszijn inzet voor een ‘dans van perspectieven’ in de organisatie. Om horizonnen te laten versmelten, verandering te bewerkstelligen, iets nieuws te creëren, zodat inclusiviteit mogelijk wordt.”

 

Dit interview door Jessica Brouwer, met foto's van Peter Valckx en Yvonne Compier, verscheen eerder in VU Magazine, 18 januari 2021